logo
Willy Vandersteen

 

Op 15 februari 1913, aan de vooravond van de ‘Groote Oorlog’, wordt Willebrord Jan Frans Maria Vandersteen geboren in de Seefhoek, een volkse buurt in Antwerpen. Weinigen konden toen allicht vermoeden dat deze jonge spruit voor het Vlaamse lezerspubliek haast zoveel zou betekenen als de toen duchtig gelezen Hendrik Conscience !

 

 

Als jonge knaap volgt Vandersteen avondlessen beeldhouwen aan de Antwerpse Academie. Overdag gaat hij in de leer bij zijn vader die beeldhouwer-ornamenteur was.

Maar in de jaren dertig verandert de architectuurstijl. Het strakke modernisme had niet echt behoefte aan ornamenteerders. Hun vak was ‘out’, voorbijgestreefd. Niemand wilde nog tierlantijntjes aan zijn woning. De jonge Willy doet verschillende baantjes, tot hij op een dag als etaleur wordt aangenomen bij het grootwarenhuis Innovation.

De scène die zich daar afspeelt is haast legendarisch geworden : bij het inrichten van een etalage krijgt hij een Amerikaans tijdschrift in handen waarin hij een artikel vindt onder de titel «Comics in your life » en het wagentje gaat aan het rollen …

Even later verschijnt in het personeelsblad van het warenhuis zijn eerste strip «Kitti Inno ».

Vandersteen is stevig in de ban van dit nieuw ontdekte medium. Van jongs af vertelde hij al graag verhalen aan zijn vriendjes en die illustreerde hij met krijttekeningen op de stoep. Dat je van zoiets ook je beroep kon maken was voor hem een hele revelatie. Hij begint dan ook de striptijdschriften te verslinden, waarin tot voor de Tweede Wereldoorlog heel wat Amerikaanse strips werden gepubliceerd.

 

En net die Tweede Wereldoorlog, hoe afschuwelijk ook, geeft hem zijn kans : door de Duitse bezetter worden de meeste Amerikaanse comics verboden, waardoor in Europa gretig gezocht werd naar talent van eigen bodem. Een toestand die de hele eerste golf Belgische striptekenaars zou voortbrengen, zowel aan Vlaamse als Franstalige zijde !

 

Uit die tijd dateren ondermeer «De lollige avonturen van Pudifar », « Thor de holbewoner », « Sinbad de Zeerover » en –wellicht het bekendst omdat er ook albums van verschenen- « Piwo het houten paard ».

Alle strips getuigen van een ongebreidelde fantasie, een vurig enthousiasme … en nog enig gebrek aan technische vaardigheid, hoewel dat laatste zienderogen wordt bijgeschaafd.

Het is dan ook geen zuiver debutantje meer dat aan het eind van de oorlog zijn nieuwe reeks bedenkt : Rikki en Wiske.

Het eerste verhaal, Rikki en Wiske in Chokowakije, krijgt echter de kritiek dat de held teveel op Kuifje zou lijken. Vandersteen grijpt resoluut in, laat Rikki probleemloos verdwijnen en in het tweede verhaal, « Het eiland Amoras », duikt een nieuwe figuur op : Suske !

En dat Vandersteen zijn roots niet verloochent was meteen geweten. De namen Suske en Wiske zijn zo Vlaams als maar kan. Bovendien vormt zijn geliefde Antwerpen het decor voor dit eerste avontuur.

De strip verscheen voor het eerst op 30 maart 1945 in « De Nieuwe Standaard ». Niemand had ooit kunnen denken dat deze twee Antwerpse snotapen zo een lang leven zou beschoren zijn ! Maar het publiek was meteen wildenthousiast ! Nu eens géén Amerikaanse toestanden, maar een strip van bij ons. De herkenbare situaties, figuren, humor, taalgebruik- het Algemeen Beschaafd Antwaarps in de eerste delen !- en de omgeving zorgden samen met Vandersteens weergaloze vertelstijl voor een overweldigend succes.

En dat Suske en Wiske een commerciële troef was ondervond men in ’47 bij De Standaard, toen die door de strip er 25.000 abonnees bij kreeg ! Het commerciële belang ervan was nu wel heel duidelijk en er begon een ware jacht op successtrips bij de Vlaamse kranten en tijdschriften … tot groot jolijt van de auteurs ! 

In het begin spelen nog enkel Suske, Wiske en Sidonia mee. Even later duikt Lambik op, de verstrooide loodgieter. Deze antiheld avant la lettre bezorgde de reeks wellicht nog meer succes. Wanneer in « De Dolle Musketiers »  Jerom zijn eerste optreden maakt is het team van de serie compleet !

De weg ligt open voor een decennia durende successtory, die tot op heden doorloopt, met miljoenen verkochte albums in Vlaanderen en Nederland en talloze buitenlandse edities !

 

In 1946 gaat het weekblad Kuifje van start en enige tijd later –in 1948- trekt Hergé, de artistieke leider van het blad, Vandersteen aan om iets speciaals te maken voor de Vlaamse editie van het blad. Hiervoor brengt Vandersteen opnieuw Suske en Wiske, toen al een gigantisch succes ! Maar Hergé wil wel dat hij zich aanpast aan het blad, met andere woorden meer verzorgd tekenwerk en minder volks. Sidonia valt dus uit de boot, Lambik is niet langer de loodgieter uit de gewone reeks en Wiske krijgt een keurig burgerlijk kapsel..

Deze buiten-reeks-avonturen , die later bekend worden als de « De blauwe reeks », omdat de albumuitgaven bij De Standaard met een blauwe omkadering verschenen in plaats van de klassieke rode band, worden hoogtepunten in Vandersteens carrière.

De scenario’s zijn veel meer gebaseerd op de intrige en het tekenwerk is fabuleus te noemen.

Voor diezelfde Kuifje-uitgaven zou Vandersteen ook nog zijn Tijl Uilenspiegel-epos tekenen -dat terecht tot een mijlpaal van het Vlaamse beeldverhaal mag gerekend worden !- en de gags van « ‘t Prinske », een schoolvoorbeeld van klare lijn à la Vandersteen, met vaak nonsensikale humor, die in het weekblad Kuifje alleen werd geëvenaard door Bob De Moors Meneer Mus !

 

In die beginperiode beperkte Vandersteen zich, ondanks de dagelijkse halve pagina voor de krant, niet tot Suske en Wiske alleen. Zijn hoofd was een op hol geslagen kruitvat van ideeën die hij allemaal wilde uitwerken. Er verschenen SF-strips als «Marscommando’s op aarde », historische strips als « Ridder Gloriant », « Het Veenspook », « Tanjar De Viking », « Willem Tell », « Het Rode Masker », « De Heldentocht der Bataven », en gagstrips als « Het plezante circus » of « De vrolijke Bengels ».

In 1945 al verzint hij « De Familie Snoek », het modelvoorbeeld van een door en door Vlaamse familie met al hun beslommeringen net na de Tweede Wereldoorlog, inclusief rantsoenbonnetjes en een mooie dochter die met Canadese soldaten van de bevrijding scharrelt! De familie Snoek zou nog lang blijven doorlopen en later nog jarenlang door Studio Vandersteen worden gemaakt.

In 1948 verschijnt Suske en Wiske zelfs in Kerkelijk Leven (het parochieblad) onder de titel « De avonturen van Lambik ». Hieruit vloeien achteraf de « Grappen van Lambik » die in De Bond verschijnen.

Elk tijdschrift of elke krant die een strip wou, kon op Vandersteen een beroep doen. Zijn werkijver en inspiratie waren eindeloos groot.

Maar begin jaren vijftig trekt hij stilaan medewerkers aan, niet om het zichzelf lichter te maken, maar om nog meer ideeën te kunnen uitwerken.

Karel Boumans en Karel Verschuere worden zijn eerste assistenten.

 

Met Karel Verschuere werkt hij onder meer aan « Judi », het Oude Testament in stripvorm, maar vooral « Bessy », dat voor het eerst in 1952 in La Libre Belgique verschijnt (Eh ja, in een Franstalige krant liep eigenlijk de eerste publicatie van deze successtrip !).

In die jaren was de televisieheld Lassie uiterst populair en Vandersteen zag hier wel mogelijkheden in. Om niet gebonden te blijven aan een bestaande figuur (nou ja, dier), verkoos hij echter een identieke collie te tekenen met een lichtjes andere naam.

Ook Bessy werd immens populair. De hele romantiek van de western met de Rocky Mountains, cowboys, indianen en rijke dierenwereld miste zijn uitwerking niet. Ook in het buitenland werd Bessy een kassucces. Vooral in Duitsland waar jarenlang één Bessy per wéék verscheen !!! De beste verhalen uit deze overvloedige studioproductie werden bijgewerkt voor de Nederlandstalige markt.

Heel wat jonge tekenaars in de « Bessy-studio », waar mettertijd Jef Broeckx de leiding kreeg, leerden hun eerste knepen van het vak met deze Bessy’s. Scenaristen als wijlen Daniël Jansen hadden nachtmerries over doldwaze collies die hen nazaten, wanneer ze voor de 87ste keer een nieuw avontuur moesten verzinnen waarin de hond ook nog een rol moest spelen …

 

Nu Vandersteen een studio had, die gestaag zou uitbreiden, kreeg hij veel meer de gelegenheid om nieuwe ideeën uit te werken, de eerste verhalen zelf te schrijven en te tekenen om daarna, wanneer de serie goed en wel gelanceerd was, door te geven aan de studio.

 

Een van de eerste echte ‘studioproducten’ was de « Rode Ridder », gebaseerd op de jeugdboeken van Leopold Vermeiren. In 1959 verschijnt het eerste deel, waar opnieuw Karel Verschuere, zijn belangrijkste ‘realistische rechterarm’, aan meewerkt. Later wordt Karel Biddeloo zowat de solo-auteur van deze meer dan 40 jaar oude succesreeks. Onder zijn impuls verwijdert De Rode Ridder zich steeds meer van het klassieke middeleeuwse ridderverhaal, krijgen de ‘edele jonkvrouwen’ wat wulpser allures en worden sciencefiction en nonsens niet geschuwd !

 

In 1962 komen de rechten vrij op de boeken van Karl May. Standaard Uitgeverij vroeg duivel-doet-al Vandersteen of hij hier geen nieuwe stripreeks in zag. Hoewel wat terughoudend in het begin, creëerde Willy met Karel Verschuere toch albums rond Winnetou en Old Shatterhand. Opnieuw was de romantiek van de Far West aan de orde. Tot 1985 verschenen er in totaal meer dan 80 albums. Dat deze reeks vrij parallel liep met Bessy bewees het feit dat een aantal Bessy-verhalen voor de Duitse markt … lichtjes aangepast bij ons verschenen als « Old Shatterhand » ! De hond werd vakkundig weggevlakt.

 

Nog datzelfde jaar start Vandersteen met « Pats », gebaseerd op het gelijknamige, erg populaire poppenspel van Karel Weyler. Deze op een iets jonger publiek gerichte reeks zou eveneens jarenlang voortbestaan. De naam « Pats » werd na een gerechtelijk probleem veranderd in « Tits ».

Naderhand raakte de reeks vooral gekend onder de liefhebbers als de eerste serie waar Kiekeboe-Merho vanaf 1974 voor verantwoordelijk was.

 

In 1953 was Jerom bij de Suske en Wiske-ploeg gekomen. Deze krachtpatser van weinig woorden had zo een succes bij de lezers dat Vandersteen besloot er in 1960 een eigen reeks aan te wijden. De eerste albums verschenen op een voor die tijd heel ongewoon vierkant formaat.

« Jerom » werd al gauw een heus studioproduct waarop heel wat beginnende nieuwkomers werden gezet. En net als bij Bessy was opnieuw de Duitse markt een gretige afnemer van deze strip. In 1991 werd de serie uiteindelijk stopgezet.

 

Halfweg de jaren zestig was de Studio in Kalmthout in volle expansie en Vandersteen wou een nieuwe realistische reeks beginnen. Hiervoor zou hij zich inspireren op de boeken van W.E. Johns rond de Britse agent Biggles. Ook deze serie droeg sterk de stempel van Karel Verschuere en behoorde zeker tot het betere Studiowerk van die tijd. Maar na 21 avonturen werd « Biggles » in de archiefkast gestopt om plaats te ruimen voor een nieuwe realistische reeks.

Eind jaren ‘60 reisde Vandersteen immers naar Afrika en rond die tijd was op de toenmalige BRT de jeugdreeks « Daktari » waanzinnig populair. Lezers uit de golden sixties herinneren zich vast nog de schele leeuw Clarence en de krijsende Judith !

Vandersteen besloot zijn Afrikaanse inspiratie met de reeks te combineren tot een nieuw gegeven : « Safari ». Hoewel de verhalen stevig gemaakt waren, sloeg de reeks toch niet echt aan bij het grote publek en na vijf jaar en 24 albums werd de reeks stopgezet.

 

De Vandersteenproductie was intussen big business geworden. Vandersteen had nog een stevige vinger in de pap bij zijn troetelkinderen Suske en Wiske. Verder amuseerde hij zich met het verzinnen van nieuwe figuren, scenario‘s, schetsen enzovoort, waarna het werk werd doorgegeven aan de goed geoliede studiomachine.

In 1972 zou hierin toch enige verandering komen. Vandersteen liep rond met plannen voor een nieuwe reeks waar hij al zijn energie wou instoppen. Nadat hij Suske en Wiske volledig had overgelaten aan Paul Geerts, ging hij aan de slag voor « Robert en Bertrand ».

Vandersteen had al lang iets willen doen rond de Belle Epoque.

De Spaanse tijd was altijd al een stokpaardje geweest, maar die liet hij al aan bod komen in Tijl Uilenspiegel en talloze Suske en Wiske-avonturen. De eeuwwisseling met zijn schilderachtige klederdrachten, de eerste auto’s enz., kortom de tijd van zijn geboorte en de jaren ervoor, waren voor hem echter een ongeëxploiteerde bron van inspiratie.

« Robert en Bertrand » werd dus zijn nieuwe troetelkind en de eerste albums toonden meteen aan dat hij nog steeds de meester van de Vlaamse vertelkunst was : spannende verhalen flink gelardeerd met volkse humor en zelfs wat sociale achtergrond (kinderarbeid, …).

Met Robert en Bertrand beleefden we opnieuw het klassieke scenario van de Vandersteen strips : de eerste albums werden met groot enthousiasme door de meester zelf gemaakt, nadien werd het inkten, het tekenen overgenomen door de Studio, waarna ook het scenario volgde. Hoewel de serie nog erg sterke albums voortbracht, was de vonk van de eerste albums er na enkele jaren opnieuw uit.

 

In 1985 startte Vandersteen dan zijn laatste reeks : « De Geuzen ». De 16de eeuw, de eeuw van Breughel, van de inquisitie, de Spaanse overheersing, vanTijl en Lamme. Zijn geliefkoosde periode die hij al vaker had behandeld, maar waar hij nu een volwaardige reeks wou aan wijden die nu eens niét werd bepaald door het hoge tempo van een krantenpublicatie ! Er verschijnen tien albums van. En ondanks alles zijn het opnieuw die eerste avonturen waarin Vandersteens meesterschap het sterkst is.

 

Ondanks het succes bleef Vandersteen zijn roots trouw. Hij bleef de kleine jongen uit de Seefhoek, die zijn vriendjes met veel vuur de gekste verhalen vertelde. Het taalgebruik in zijn strips werd wel aangepast, toen ook de Nederlandse markt voor hem viel. Maar niettegenstaande het verdwijnen van het Algemeen Antwerps, Sidonie die Sidonia werd of Schalulleke dat Schanulleke moest heten, bleef Suske en Wiske en al de andere strips een volkse, joviale sfeer uitademen die door iedereen werd geproefd.

Die sfeer wist hij ook over te brengen op de talloze jonge tekenaars die bij hem kwamen aankloppen en er het vak leerden. En diezelfde sfeer vierde hoogtij wanneer hij met vrienden, vaak collega’s als Marc Sleen, Bob De Moor enz., een nachtje kon doorzakken.

 

Op 28 augustus 1990 overleed Willy Vandersteen.

Vele critici verwijzen naar andere Vlaamse auteurs die beter konden tekenen, beter konden schrijven, persoonlijker waren en noem maar op.
Maar Willy Vandersteen maakte het stripverhaal populair in Vlaanderen, hij « leerde zijn volk strips lezen », hij had een onverdroten werkijver, een aanstekelijk enthousiasme en een grenzeloze inspiratie. Hergé noemde hem ooit de « Bruegel van de strip » en gelijk had hij ! Hij was een monument van een auteur die voorgoed zijn stempel drukte op het beeldverhaal.

334
335
336
337
338
339
Ons gastenboek
suskeenwiske.be
kindermuseum
striproute
HOMEPAGE
ALBUMLIJST
ONZE HELDEN
HEET VAN DE NAALD
WPG SHOP ONLINE
ONZE MAILINGLIJST
DE STUDIO
VRAAG EENS WAT
WILLY VANDERSTEEN
340
Ons gastenboek